Stichting Simon de Heer

Op 7 augustus 1899 maakte Simon de Heer een tekening van Slot Assumburg,  een landhuis met het uiterlijk van een middeleeuwse burcht in de omgeving van Heemskerk.

In dit landhuis had zijn zuster Neeltje twee ‘kunstschilders’ ontmoet, waarover zij thuis enthousiast aan haar broer vertelde.

(Afbeelding: Slot Assemburg)

 

Hierdoor werd het Simon duidelijk dat het mogelijk was de teken- en schilderkunst op een beroepsmatige wijze te beoefenen.

Hij nam zich voor om tekenaar en kunstschilder te worden en hij was vastbesloten naar de Stads-Teekenschool van Purmerend te gaan.

Het onderwijs werd ’s-avonds gegeven, waardoor de leerlingen hun dagelijkse beroepsmatige werkzaamheden konden blijven verrichten.

Op 9 augustus 1899 legde hij het toelatingsexamen met zeer goed gevolg af en een week later kon hij in de tweede klas zijn opleiding beginnen.

 

Zijn inspanningen werden al snel beloond: op de tentoonstelling voor Ambachts en teekenonderwijs in Den Haag trok Simon's crayontekening van een begoniaplant de bijzondere aandacht van koningin Wilhelmina, die de tenstoonstelling opende.

Simon was toen 14 jaar oud.

(Afbeelding: Stilleven met begoniaplant)

 

In september 1901 werd Simon toegelaten tot de Normaalschool voor teekenonderwijs in het Rijksmuseum, onderdeel van de Amsterdamse Rijksschool voor Kunstnijverheid, na het toelatingsexamen met zeer goede cijfers behaald te hebben.

Op 12 juli 1906 behaalde hij het diplima als leerling van de afdeling Decoratieve schilderkunst en op 23 augustus 1906 tevens de akte van bekwaamheid M1 voor het Middelbaar Onderwijs voor ‘Handteekenen in Perspectief’, waarmee hij de bevoegdheid kreeg les te geven.

 

Na het vervullen van zijn dienstplicht deed Simon in 1908 met succes een toelatingsexamen voor de Rijksacademie van Beeldende Kunsten van Amsterdam. Hij had op dat moment woon- en werkruimte gevonden aan de Spiegelgracht te Amsterdam.

Door zijn goede vorderingen kreeg De Heer in 1910 een eigen loge – een eigen werkruimte – op de Academie aan de Stadhouderskade.

 

 

Zijn begeleidend hoogleraar was in het eerste jaar Nicolaas van der Waay (1855-1936) en in het tweede jaar professor Derkinderen, die hem aanraadde portretschilder te worden.

Onder leiding van professor Dupont bekwaamde hij zich in het etsen. In 1913 bracht hij het als één van de vier uitverkorenen tot het eindkamp van de Prix de Rome, sinds 1817 de belangrijkste jaarlijkse wedstrijd voor kunstenaars in Nederland.